De rest van ons leven

Alfredo Santoro is vier wanneer zijn moeder in 1919 bezwijkt aan de Spaanse griep en zijn vader met hem emigreert van Italië naar Liverpool. Zijn vader opent er na verloop van tijd een eigen kapperszaak, Fredo stapt mee in de zaak en leert boksen bij Father Toni. Maar bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog wordt Fredo’s vader gedeporteerd, zijn lot is onzeker. Father Toni stuurt Fredo naar het platteland om aan te sterken, hij begint er een relatie met de vrouw die hem opvangt. In 1944 raakt hij bevriend met de krijgsgevangene Luigi en na de oorlog trekt hij met Luigi mee naar zijn gezin in Italië.

Tot daar lees je vanuit het standpunt van Fredo, maar vanaf het moment dat hij Luigi’s zoon Vito onder zijn hoede krijgt, wisselt het standpunt af tussen het zijne en dat van Vito. Het lettertype geeft dan aan door wiens ogen je kijkt. En zo ontspint zich nog een heel nieuw verhaal, met een onthulling die je niet zag aankomen, maar die veel op z’n plaats laat vallen. Ondanks de vele gebeurtenissen zijn het de relaties die centraal staan, tussen de kleine Fredo en zijn vader, tussen de volwassen Fredo en de kleine Vito, tussen alle leden van Luigi’s gezin. En die worden subtiel geschetst, met onnoemelijk veel liefde voor elk van hen, maar heel zuinig met woorden. Bijvoorbeeld wanneer Fredo zich vastklampt aan de hoop dat zijn vader niet verdronken is en die hoop met één woord de kop ingedrukt wordt door Father Toni: “’Kon je vader zwemmen?’ vraagt hij dan. Kon.” En in ontroerende scènes, zoals wanneer de meester Vito en zijn beste vriend laat beloven voor elkaar te zorgen in de middelbare school. Die zachte relaties zorgen voor een mooi evenwicht met de vaak heftige gebeurtenissen. Ook het standpunt van Vito zorgt voor een luchtigere noot, met zijn kinderlijke uitspraken als “Die dag is de tweede ongelukkigste dag van mijn leven.” “Die oorlog wil ik dus terug.” “Ik kan alles worden wat ik wil.(…) Maar ik wil niet alles worden.” En wanneer het boek afsluit met een scène op het perron, zoals het begon, is de cirkel mooi rond en ben je als lezers hoopvol gestemd.

Dit boek laat zich zo verfilmen, en hoewel maar driehonderd pagina’s, in heel korte hoofdstukjes, is de inhoud zo rijk dat je er zelfs een serie van kan maken. Want op de achtergrond van dit persoonlijke verhaal trekt de geschiedenis voorbij: de Eerste Wereldoorlog, de Spaanse griep, de deportatie van de Italianen uit Engeland, de maffia, de eerste Italiaanse gastarbeiders in België. Je krijgt het allemaal mee, zonder dat het overdadig aanvoelt.