Voorlezen voor de allerkleinsten? Ja, dat kan!
Baby’s
Baby’s kunnen vaak meer dan je denkt. Ze luisteren al vanaf de eerste dag naar je stem.
Ook al begrijpen baby’s nog niet de woorden, ze genieten wel van de klank van je stem, van melodie en ritme. Het gezicht van mama en papa krijgt alle aandacht. Wanneer je tegen je baby praat, kijkt hij vooral naar je ogen en naar de bewegingen van je mond.
Al heel snel proberen baby’s zelf geluidjes te maken. Ze reageren op hun manier op wat je doet of zegt, en proberen je al snel na te doen!
Met liedjes, geluidjes of versjes kan je ze de hele dag verwennen.
Het is belangrijk om vanaf de geboorte van de baby te zingen, te neuriën en te praten tegen je kind. Tijdens het eten geven, het verversen van de luier, tijdens het badje, voor het slapen gaan, … Door je stem te horen weet je kind dat je er bent. Het geeft een gevoel van veiligheid.
Vanaf ongeveer drie maanden kan je kindje zelf een speeltje vasthouden als je het in zijn handen geeft. Vanaf dat moment kan je boekjes op babymaat, knisperboekjes of badboekjes, aanreiken. Baby’s willen ontdekken – met al hun zintuigen! Ze willen voelen, proeven, kijken, luisteren en ruiken. Een goed babyboekje is tegen kinderhandjes en (eerste) -tandjes bestand!
Welke boekjes voor de kleinsten?
- Felgekleurde boekjes
- Boeken met één afbeelding per pagina
- Plastic boekjes
- Knisperboekjes
- Stoffen boekjes
- Aanwijsboekjes
- Aftelrijmpjes, liedjes
- Boekjes op rijm
- Beeldwoordenboekjes
- Boekjes over dagelijkse gebeurtenissen
- Fotoboek
- Dierenboekjes
Peuters: Boeken zijn er om te lezen
Door volwassenen met boeken bezig te zien, en door voorgelezen te worden, ontdekken peuters dat boeken er niet zijn om in je mond te stoppen of om mee te gooien. Ze leren hoe je een boek vasthoudt, dat je de bladzijden kan omdraaien en dat volwassenen bij het voorlezen bij de eerste prent beginnen. Kinderen leren dat prenten een voorstelling geven van dingen die in de werkelijkheid bestaan.
Nog wat later leren ze dat de tekst bij prenten betekenis heeft en betekenis geeft.
Kleine kinderen moeten de logica van een (prenten)boek nog leren. Voor ons is die logica vanzelfsprekend. Een boek heeft een voor- en achterkant, bladzijden die je in bepaalde volgorde omslaat, … Lezen doen wij (hier in het Westen) van boven naar onder, van links naar rechts. Dezelfde figuren komen terug op verschillende prentjes. Dit geeft een verloop in de tijd weer.
Voorlezen is interactie
Voorlezen aan kleine kinderen, aan peuters is een dialoog, is interactie: kijken waar zij naar kijken, herhalen wat zij grappig vinden, ingaan op hun opmerkingen en vragen.
Jonge kinderen hebben de behoefte om voortdurend te reageren, te zeggen wat ze zien, denken en voelen.
Vanaf één jaar
-
Benoem de voorwerpen en figuren die afgebeeld staan in bijvoorbeeld kartonboekjes en herhaal die woorden vaak. Je zal merken dat je kind op bepaalde klanken en geluidjes meer reageert. Later zal je kind woordjes beginnen nazeggen. Gebruik die woorden daarna in korte zinnetjes.
"Kijk daar zit een poesje. Miauw! Miauw! Ja. De poes doet miauw!"
"Ja, daar is onze poes, he. Die zegt ook maiuw, he" - Leg de link tussen de afbeeldingen van voorwerpen in aanwijsboekjes en diezelfde voorwerpen ‘in het echt’.
- Laat kinderen antwoorden op eenvoudige vraagjes door hen te laten wijzen naar de juiste afbeelding in het boekje.
Vanaf 18 maanden
- Kinderen leren nu echt plaatjes en tekeningen te ‘lezen’.
- Ze beginnen zelf de dingen te benoemen.
- Ze ontdekken het verband tussen de afbeeldingen onderling.
- Ze houden van herhaling en zijn heel trots als ze na veel voorleesbeurten precies weten wat er zal komen.
TIPS:
Veel vragen stellen:
"Wat doet Nijntje nu?"
"Heeft Anna ook een knuffel? Heb jij ook een knuffel?"
Spreek over jezelf als ‘ik’ en richt je tot het kind met ‘je’ of ‘jij’.
Dit vinden ze leuk:
- boekjes met kijkgaatjes,
- kiekeboe-boekjes (met stevige flapjes die je kind kan opendoen)
- boekjes met herkenbare situaties
-
nabootsen van geluiden:
plens - plens – plens …
stap - stap – stap …
WOEOEOE (doet de wind)… -
gebaren maken en bewegen (zorg voor voldoende ruimte):
vliegen-vliegen-vliegen
stampen-stampen-stampen (op de grond)
Vanaf twee jaar
Je kind kan nu heel eenvoudige verhaaltjes aan.
Geef kinderen de tijd om te reageren en vragen te stellen. Kijk ook tijdens het verhaaltje naar hun reacties. Daar kan je op inspelen.
Stel vragen om uit te dagen, op hun niveau. Ze houden van fopvraagjes en zullen je met enthousiasme verbeteren.
"Wat doet de poes? Doet de poes wafwaf?"
"Neeeehe. De poes doet miauw!"
Het inlevingsvermogen is dikwijls heel groot. Denk maar aan hoe kinderen reageren bij de poppenkast. Kijk op tijd op uit je boek om te weten hoe zij zich bij het verhaal voelen.
Oogcontact geeft je dadelijk veel inzicht!